een bedrijvig rondje Oss

In Omo werden ze gewassen mijn luiers
– met altijd dat paradoxale zakje blauw-
getroeteld en getut werd ik uit flacons van Unilever.
Wat ik hoorde en zag in huis kwam uit een Philips-apparaat
-waag het niet om ook maar te denken aan een ander merk, jongen -,
op woensdag telkens vijf kinderen zwart-wit bij de Verrekijker.

In het darmkot van den Hartog
prepareerde ik zelf de darm voor worsten in de rookkamer,
twee verplichtte halve liters melk spoelden dan de longen schoon;
vleesgeworden worst in alle soorten
gemaakt en verpakt daar toen,
eet ik nu nog altijd, dagelijks en
met steeds nog teveel smaak.

Mijn vingers te dik of traag
om winstgevend augurken
in een potje te krijgen daar bij Zwaantjes.
Mijn eerste meisje gezoend, dat wel,
achter de kratten met bonen in de campagnetijd.
Het arme stuk van de straat ‘s zomers
zo rijkelijk gezellig met het volk voor op de stoep.

De melk met paard en kar naar de boterfabriek,
de romme tot Solo of Silsa geslagen, dat wist ik niet;
– wij hadden altijd Bleu Band van Dina den Dromer –
de geur van gloeiend water uit slingerslangen,
gemorste melk wegspuitend naar goten in gladde tegelvloer.

Mijn eigen TL-balk gemonteerd bij Metinos,
met schroefjes en moertjes goedbevonden door mijn vader
op de keurkamer bij grote broer Philips.
Bol gebogen van geschiedenis stond dat gebouw er,
het voorerf geurend nog van het kuiphout van Hes & Co,
-daarbinnen achterin verlaten kisten voor kunstboter Frieso,
de pallets torenhoog nu van den Eminos.
Vijf cent voor een gevangen molletje bij de vellenjood.

De pil van Organon
onder handbereik, maar nog net teveel taboe;
een nieuw gezin, een volgende geschiedenis werd geschreven.