de Maas en zijn overlaat

Verwaaid zit ik
aan het oude water
en trek de zon het vel over de oren,
kwaaiig over haar wispelturigheid.

Het deinen van het lenig lange oeverriet
op de klappen van een hekgolf
is wuivend gaan wortelen in mijn wezen.
Eenden vlechten hun nest rond mijn hoofd,
en tussen mijn benen jaagt een snoek
te grote verlangens na.

Laat me nog één keer de Rivier zien
die ik voor je heb gegraven toen,
en roei me dan naar de overkant.
Ik zal je de golven nog eens lezen,
en de stilte voor je zingen.

Voor het laatst,
dat wist je al, maar
dat zegt ‘n vader niet tegen zijn zoon.

De Overlaat heeft
– als de vos z’n streken-
haar meanderend verhaal niet verloren.
Elk kind kan er spelevaren,
mens worden op de golven
achter alsmaar voorbij varende schepen.
Je kunt er op de wal ook graven naar
een andere kant van de aarde;
of er je eigen stroom verleggen
tegen een wassende overlaat in je.

Verlaat jezelf gerust
op de bedding van het oude water.